Dit betreft een prachtig werk van de in België geboren kunstenaar Joseph Ongenae (Antwerpen 1921 – Amsterdam 1993) die later in zijn leven in Amsterdam is gaan wonen en werken. Het werk is op de achterkant gesigneerd en gedateerd 1976.

Toen Ongenae in 1943 moest onderduiken, kwam hij op zijn onderduikadres in contact met de Belgische schilder Jan Cox, die hem bekend maakte met het werk van Picasso, Braque en Kandinsky en hem de beginselen van het schilderen bijbracht. Onder invloed van het late kubistische werk van Picasso en Braque maakte hij in 1947 een serie stillevens in een Vlaams expressionistische stijl, waarmee hij de aandacht trok. Allengs werden zijn stillevens en later ook landschappen gestileerder, totdat zij volledig bestonden uit composities van horizontaal en verticaal geplaatste rechte en gebogen lijnen. Zijn ontwikkeling toont opmerkelijk veel parallellen met die van Mondriaan.

Eind 1949 raakte hij bevriend met de Nederlandse schilder André Volten en uit deze vriendschap ontstond de behoefte bij Ongenae om in Nederland te gaan werken en wonen. In 1951 kreeg hij een tijdelijke baan bij het Stedelijk Museum. Daar zag hij voor het eerste werken van Malevich en Mondriaan. Geïnspireerd door Mondriaans beeldtaal werden zijn composities volledig abstract. Hij verdiepte zich in de theorieën van Mondriaan en Van Doesburg en in de theosofische geschriften die voor Mondriaan’s neoplasticisme een belangrijke inspiratiebron waren geweest. In 1953 vestigde hij zich definitief in Amsterdam . Hij beschouwde het als zijn taak om het neoplasticisme verder te ontwikkelen. In 1955 was hij één van de oprichters van de Liga Nieuwe Beelden. In deze organisatie streefde hij de samenwerking tussen architecten, stedenbouwers en beeldende kunstenaars na.

Zijn composities bestonden na 1955 uit louter horizontale en verticale rechthoekjes, vierkantjes en driehoekjes op een witte achtergrond. Evenals Mondriaan ordende hij zijn kleurvlakken en lijnen naar analogie van muziek: jazz, bebop, maar ook Indiase klassieke muziek. Gewaarwordingen van geluid vertaalde hij in lijnen en kleurvlakken, die vrij in de ruimte moesten zweven.