Schitterend expressionistisch werk van Johan Dijkstra (1896-1978). Het betreft een landweg ergens bij een Gronings dorp met de bekende elektriciteitspalen langs de weg. Het schilderij is door diverse Dijkstra-experts onderzocht en door hen gedateerd rond 1927.

Johan Dijkstra was een belangrijk Nederlands expressionist. Hij woonde en wekte in Groningen waar hij samen met onder andere Jan Wiegers en Jan Altink oprichter was van de Groninger Ploeg, een bekend schildergezelschap. Hij had grote liefde voor het Groningse landschap.

Vanaf 1920 experimenteerde Johan Dijkstra meer met kleur. Hij schilderde een periode in een pointillistische stijl en werd ook sterk beïnvloed door het werk van Vincent van Gogh. Hij reisde veel door het Groninger land en legde het landschap met oogstende boeren vast, maar ook de eeuwenoude kerkjes in de dorpjes.

Omstreeks 1925 begon Johan Dijkstra expressionistisch te schilderen, een stijl die Jan Wiegers via zijn contacten met de Duitse expressionist Kirchner in Groningen introduceerde. Dijkstra werkte veel met wasverf, waarbij olieverf werd gemengd met wasbenzine. De verdunde verf droogde snel waardoor ‘laag op laag’ vlot konden worden aangebracht. Ook bleven de kleuren fel, waardoor vernissen overbodig was geworden en de werken een bijzondere matte uitstraling kregen.

De werken uit deze jaren, met zijn felle kleuren en vereenvoudigde vormen, tonen Johan Dijkstra’s ontzag voor de Duitse schilders van de Brücke en de Noorse schilder Edvard Munch. Dijkstra zag het Groningse platteland als één zinderende kleurexplosie. Zelfs een modderige landweg met regenplassen schilderde hij in de meest uitbundige tinten paars, oranje, blauw en roze.

Vanwege geldgebrek beschilderde Johan Dijkstra in deze periode geregeld beide kanten van het doek. Dat is ook in dit geval gebeurd. De achterzijde van dit doek bevat een (eenvoudig) landschap met de contouren van een Gronings dorp.

Na 1930 is zijn meest heftige expressionisme voorbij en gaat Johan Dijkstra werken in een behoudendere stijl die het best kan worden omschreven als  ‘verhevigd impressionisme’. Na 1940 zijn geen sporen meer te vinden van het modernisme uit de twintiger jaren.