Van Raoul Martinez, van Cubaanse afkomst, zitten enkele Amsterdamse stadsgezichten in de collectie van Limpression. Hoewel Martinez een kleine groep fans heeft, is hij bij het grote publiek minder bekend. Daarom werd enige tijd terug (in het jaar 2000) een expositie aan hem gewijd. Bijgaand de aankondiging in het NRC Handelsblad van destijds.

NRC, jaartal 2000: In de periferie van het realisme
Van sommige kunstenaars kun je niet zeggen dat ze vergeten zijn: ze zijn eenvoudigweg nooit bekend geweest buiten een beperkte groep van toegewijde liefhebbers. Hun werk lijdt een obscuur bestaan in particuliere verzamelingen en museumdepots, tot zij `ontdekt’ worden, omdat een bepaalde stijl in de mode komt. Dit is het geval met twee schilders aan wie nu solo-tentoonstellingen zijn gewijd: Raoul Martinez (1876-1974) en Chris Beekman (1887-1964). Beiden werkten in de periferie van het Nederlands Realisme dat nu sterk in de belangstelling staat.
Martinez, wiens werk te zien is in Museum De Wieger in Deurne, legde zich toe op een compacte, licht kubistische weergave van de werkelijkheid in intense kleuren. Hij schilderde alledaagse onderwerpen: spruitjes, tulpen, het uitzicht uit zijn raam, portretten van vrienden. Zijn werk heeft een eigenaardige spanning. Het is hecht van compositie en toch weigert elk onderdeel ondergeschikt te zijn aan het geheel, alsof de dingen een eigen leven hebben. De beste werken, zoals De fluitspeler (1920) en Stilleven met schedel en appels (1937) hebben een prettig soort hoekige stroefheid, waardoor je er naar wilt blijven kijken.

Het Kröller-Müller Museum in Otterlo exposeert Martinez’ jongere tijdgenoot Chris Beekman. Hij tekende en schilderde dezelfde soort onderwerpen, tenminste tot 1921, vóór hij overging tot de akelige sociaal-realistische propagandakunst die zijn latere oeuvre beheerst. In die eerste fase ontwikkelde Beekman een interessante schematisering van de werkelijkheid in geometrische vormen en kleurvlakken op een manier die verwant was aan De Stijl. Net als bij Martinez krijgen de simpele dingen die hij afbeeldt een vreemd soort nadrukkelijkheid. Het winterse schilderij Jongen met kruiwagen (1917) bijvoorbeeld is een knappe, afgewogen compositie van heldere kleuren en vormen die afsteken tegen de sneeuw. Tegelijk lijken onderdelen van de compositie – een grillige kale boom, een helblauwe regenton – met een bepaalde ongrijpbare bedoeling geschilderd.

Die wonderlijke spanning is kenmerkend voor de groep kunstenaars waartoe Beekman en Martinez behoorden: de kring rond de invloedrijke Haagse kunstpedagoog en verzamelaar H.P.Bremmer (1871-1956). Bremmer was in de eerste decennia van de 20ste eeuw een autoriteit in de Nederlandse kunstwereld. Hij gaf lessen kunstbeschouwing, adviseerde talloze verzamelaars – de bekendste was Helene Kröller-Müller – bij het samenstellen van hun collectie en beschikte over uitstekende contacten met de kunsthandel. Schilders en beeldhouwers die hij de moeite waard vond, zoals Bart van der Leck, Charley Toorop en John Rädecker konden rekenen op een vaste afzet van hun werk.

Onder Bremmers protectie staan was echter een gemengde zegen. Het kon een regelmatig inkomen opleveren gedurende een aantal jaren, maar het betekende ook dat je je moest voegen naar Bremmers wensen. De hoogste kunst was voor Bremmer het soort kunst waarin een nauwkeurige observatie van de zichtbare werkelijkheid samenging met een `religieuze grondstemming’.

Voor Martinez was dit geen probleem. Toen deze Cubaanse Parijzenaar zich in de Eerste Wereldoorlog in Nederland vestigde, schilderde hij in een mengvorm van fauvisme en futurisme, zoals in het dynamische Centraal Station Amsterdam (1918). In dat jaar kocht Bremmer een werk van Martinez, waarna een hartelijke relatie tussen hen ontstond. Bremmer onderwierp het werk van Martinez aan een diepgaande analyse en overstelpte hem met raadgevingen. Martinez die bescheiden van aard was en niets liever wilde dan zijn werk verkopen, nam zijn aanwijzingen over en legde zich toe op het plastisch uitbeelden van eenvoudige onderwerpen met de kenmerkende spirituele lading.

Het was voor Beekman, die zich op jonge leeftijd tot het communisme bekeerde, veel pijnlijker zich te moeten onderwerpen aan iemand als Bremmer, die zaken deed met kapitalisten als de Kröllers. Maar Beekman kon weinig anders doen. Opgeleid als plateelschilder bij de fabriek Rozenburg in Den Haag had hij in 1909 gekozen voor een wankel bestaan als vrij kunstenaar. Na enkele jaren van armoede en een weinig productief verblijf in Parijs bracht zijn neef, de beeldhouwer Jan Altorf, hem in 1913 in contact met Bremmer. Deze kocht onmiddellijk een stapel tekeningen van hem en bezorgde hem tot 1921 een maandgeld bij Helene Kröller-Müller waarvoor Beekman geregeld werk moest leveren.

Daarnaast nam hij zijn ontwikkeling krachtig ter hand. Onder Bremmers invloed kreeg het werk van Beekman, die een begaafd tekenaar was, een innerlijke samenhang en spanning die het tot dan toe ontbeerde. In 1916 verhuisde Beekman naar het Gooi waar hij bevriend raakte met één van Bremmers favoriete protégés, Bart van der Leck. De kennismaking met diens abstraherende werk betekende een enorme stimulans voor Beekman. Tussen 1916 en 1921 produceerde hij een aantal magnifieke gestileerde schilderijen, zoals het vrolijke Theeservies (1917-18) en zelfs een paar abstracte composities, die door Bremmer werden aangekocht voor de collectie Kröller-Müller.

Beide tentoonstellingen zijn van de grond gekomen dankzij iemand met een sterke persoonlijke betrokkenheid bij de kunstenaar. Rosella Huber, die al jaren ijvert voor erkenning van het werk van Martinez, leende voor de tentoonstelling schilderijen van allerlei verzamelaars uit haar vriendenkring. Ger Harmsen, oud-CPN-lid en jarenlang met Beekman bevriend, erfde in 1964 Beekmans archief en nagelaten werk. Zijn schenking, in 1998, van deze nalatenschap aan het Rijksmuseum Kröller-Müller werd aanleiding voor de tentoonstelling.

Beide tentoonstellingen gaan ook vergezeld van een publicatie die eerder een geïllustreerde levensgeschiedenis dan een catalogus genoemd kan worden. Dat een klein museum als de Wieger geen geld heeft voor een uitgebreid boekwerk met entries is jammer maar vergeeflijk. Maar dat in Harmsens dikke, pretentieuze monografie over Beekman geen plaats is ingeruimd voor een aparte bespreking van de kunstwerken is een doodzonde. Ik schat dat een vijfde deel van de tekst betrekking heeft op Beekmans werk als kunstenaar en dat deel is dan nog zeer chaotisch en slecht gedocumenteerd; in de rest van het boek weidt hij uit over Beekmans politieke engagement, twisten in de communistische beweging en allerlei andere slaapverwekkende zaken die niets met kunst te maken hebben. Zo is een kans gemist om de fascinerende kunstenaar die Beekman tussen 1913 en 1921 was, in kunsthistorisch perspectief te plaatsen.

Tentoonstellingen: Chris Beekman. T/m 30/4/2000 in Kröller-Müller Museum, Otterlo. Raoul Martinez. T/m 27/2/2000 in Museum De Wieger, Deurne.