Inleiding van het boekwerk: 365 Amsterdamse stadsgezichten van Carole Denninger "Er zijn maar vijf dingen die de moeite waard zijn en ik noem ze op in volgorde van belangrijkheid. Amsterdam, het vroege voorjaar, de laatste 10 of 14 dagen van Augustus, vrouwen en de onbegrijpelijkheid Gods. Het belangrijkste heb ik het eerste genoemd" Uit: het Einde van Nescio (1937) Wat maakt Amsterdam zo bijzonder dat eeuwenlang schrijvers en schilders inspiratie vonden in de stad aan het IJ ? Amsterdam heeft kennelijk iets. Iets bijzonders. Het unieke van Mokum, zoals Amsterdammers hun stad liefkozend noemen, schuilt in de combinatie van een aantal factoren. Een middeleeuws centrum waar de pakhuizen nog met hun voet in het water staan, voorname zeventiende-eeuwse grachtenhuizen die zich spiegelen in het water, stille plekjes in het oude hart van de stad waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Maar ook eigenzinnige, moderne architectuur verweven met historische locaties aan het IJ. Behalve dat Amsterdam een 'mooie' stad is, heeft zij ook iets intiems. Door de oude historie is de maatvoering overal bescheiden. Fietsers verplaatsen zich nog het snelst over de smalle grachten en door de kleien straten. Bovendien ademt Amsterdam een open sfeer. Veel kan en mag. Die open en eigenzinnige mentaliteit dateert al uit de zeventiende eeuw toen de stad en haar bestuur zich onafhankelijk van het landsbestuur opstelden en opvangcentrum werd voor vluchtelingen uit Spanje, de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk. Amsterdam was dan ook de stad bij uitstek voor de "happenings" van de hippies, provo's en krakers in de woelige jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw. De vrijmarkt op koninginnedag weerspiegelt nog iets van die ongebondenheid, als de stad omgetoverd is in een oranje en rood-wit-blauwe zee van feestelijkheid. Schilders hebben zich vanaf het midden van de zeventiende eeuw aangetrokken gevoeld door het motief van de stad. Door de handel rijk geworden kooplieden en regenten wilden de stad, waaraan ze hun rijkdom te danken hadden, breed uitgemeten aan de wanden van hun huizen en verenigingsgebouwen zien. Het specialisme van het stadgezicht kon in Amsterdam tot grote bloei komen, met de gebroeders Berckheyde en Jan van der Heyden als meesters op dit vakgebied. Ook zeeschilders als van der Velde en Nooms lieten zich graag verleiden tot een imposant gezicht op de stad aan het IJ, waar galjoenen, fluiten en pinassen bij tientallen voor anker lagen. In de achttiende eeuw veranderde de smaak en dde vraag van het koperspubliek. De aandacht werd meer gericht op de prentkunst, die voor een groter publiek bereikbaar was. In de schilderkunst werd Frankrijk toonaangevend. De Franse hofcultuur eiste verfijnde, vaak was zoetelijke taferelen, een stijl die Nederlandse schilders in wezen vreemd was. Wat betreft het geschilderde stadsgezicht was de achttiende eeuw om die reden een dieptepunt. Er waren maar weinig schilders die hun liefde voor de stad in een nauwgezette weergave konden uitbeelden. Daar kwam verandering in na de Franse tijd. Schilders van romantische taferelen, die vaak een studiereis langs de Rijn of naar de Ardennen hadden gemaakt, zagen brood in de schilderachtige straten van de oude stad. Slechts enkelen hielden zich aan de correcte topografie, zoals Springer en Klinkenberg, maar die hadden dan ook een voorliefde voor architectuurschildering. Met grote fantasie bouwden de romantische schilders hun eigen stad, voegden zo nu en dan wat specifieke details toe, waardoor de indruk werd gewekt van een authentiek stukje oud-Amsterdam. De zeventiende-eeuwse wolkenluchten maakten plaats voor een vaak onnatuurlijke belichting. Het sjabloon-effect van deze schilderijen ontstond door de traditionele werkwijze op het atelier. Het natuurlijke beeld van de stad kwam later in de negentiende eeuw tot stand nadat de landschapsschilders van de Haagse School hun plein air-boodschap hadden verkondigd. Amsterdamse impressionisten als George Hendrik Breitner en Isaac Israels zwievern op straat om de echte sfeer in de stad op te snuiven. Geen geïdealiseerde beelden van schilderachtige grachten en pleinen zeten ze op hun doeken. De werkelijkheid van alledag wilden ze laten zien, geregistreerd in forse streken donkere verf. Hun visie en brede schildertrant hadden impact op de schilders van de Bergense School die in de eerste helft van de volgende eeuw door de stad zouden zwerven. De vernieuwingen in de schilderkunst aan het begin van de twintigste eeuw resulteerden vooral in andere kleuren en vormen. Kubisme, fauvisme en expressionisme waren uit Frankrijk en Duitsland overgewaaid en door Nederlandse modernisten als Piet Mondriaan, Jan Sluiters en Leo Gestel in de praktijk gebracht. De lichte, 'luministische" stijl waarin ze ook enkele stadsgezichten schilderden, duurde maar even. De Eerste Wereldoorlog maakte aan alle expreimenten een einde, alleen Mondriaan ging stapje voor stapje verder en bereikte met de Stijl-groep de volledige abstractie. Terwijl veel schilders van stadsgezichten intussen op de inmiddels traditionele weg van het impressionisme voortgingen, besloten anderen aan te sluiten bij internationale stromingen die meer gericht waren op de klassieke kunst. In Nederland werden uitingen als magisch-realisme, surrealisme en neoclassicisme gerangschikt onder de noemer neorealisme, waarbij koele afstandelijkheid en haarscherpe weergave de kenmerken waren. Het stadsmotief was bij veel neorealisten favoriet. De Tweede Wereldoorlog zette opnieuw de kunstwereld op zijn kop. Na alle chaos wilde men terug naar de oosrprong. Het onbedorven kind en primitieve culturen waren de bronnen voor het primitivisme van de Cobra-schilders. De Nul-beweging verklaarde de kunst zelfs dood en wilde blanco starten vanuit het niets. Daarnaast werden in de jaren zestig beelden uit de massamedia tot kunst bestempeld, installaties werden gebouwd, gevolgd door de komst van video- en computerbeelden in de jaren tachtig. Het schilderen met verf van een 'simpel' motief als de stad was niet meer aan de orde. Totdat in 1987 After Nature werd opgericht, het collectief dat het pure schilderen propageerde zoals dat eeuwenlang traditie was geweest, in het atelier of in de buitenlucht. 'Ga schilderen, schilder veel en schilder wat je ziet', was het motto. Dus ook het straatbeeld mocht zich in een hernieuwde belangstelling verheugen. Sindsdien ziet men in de stad weer schilders met teken- en schilderattributen aan het werk. Hun aandacht gaat niet meer per definitie uit naar oude torens en grachten. een nieuwbouwwijk, de Noord-/Zuidlijn, een cafeterras en zelfs een glasbak in een volksbuurt kan onderwerp van hun schilderkunst zijn. 2008, Carole Denninger |
|||




